Kon dat dan.
Het ene ogenblik is alles goed en veilig.
Het volgende moment loop je rond als in een aardbeving.
Hij laat niets van zich horen, komt ook geen spullen halen.
Na tien dagen bel ik hem op: ” Je hebt een kind, hij moet je zien.”
Hij komt tot de voordeur.
Nathan wordt van mijn armen in de zijne overgeheveld als een pakketje.
Hij kijkt me niet aan.
Ik zie Franse Claire in de auto zitten, teer en fragiel, elegant..
Ik wil hem krabben, z´n hele gezicht open krabben, dan mag Claire de bloederige strepen verzorgen.
Ik wuif naar haar.
Weken later worstel ik om de deur open te krijgen met een slapende baby in mijn armen.
De treinreis naar mijn ouders in Amstelveen was vermoeiend.
Een doordringende stank van hete olie slaat me in het gezicht.
Dan weet ik het.
Hij komt niet meer terug.
Hij zal me niet met tranen in de ogen om vergiffenis smeken: “Jij bent mijn liefste, kun je me vergeven?
Samen hadden ze fondue gegeten.
Ons maal, in ons huis.
Mechanisch zet ik de tuindeuren open tegen de penetrante olielucht.
In de donkerte van de kleine stadstuin zie ik witte vlekken wapperen.
Natte lakens dansen aan de lijn.
Dan huil ik voor het eerst in weken diep van binnenuit, ik brul.
Woedend ruk ik de lakens van de lijn, smijt ze op de grond, draai m´n hakken er in rond, scheur ze in stukken, snuit er driftig m´n neus in, prop ze in de vuilnisbak.
Ik heb geen idee hoe het verder moet.
uit mijn boek "1000 plaatsen 1 thuis."